De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid.
Augustinus de bekende filosoof, theoloog en kerkvader (354-430), zei:
‘Bij wijsheid hoort het doorgronden met het intellect van wat eeuwig is;
bij kennis het rationeel begrijpen van wat tijdelijk is.’
De Zwitserse filosoof en dichter Henri Frédéric Amiel (1821-1881), zei:
‘Te weten hoe je oud kunt worden is het meesterwerk van wijsheid,
en één van de moeilijkste hoofdstukken van de grote kunst van het
leven. De Engelse filosoof en staatsman Francis Bacon (1561-1626), zei:
‘Een zorgvuldige vraag is de halve wijsheid.’
De Amerikaanse humorist Josh Billings (1815-1885)
deed de volgende twee gedenkwaardige uitspraken over wijsheid:
‘De ervaring doet onze wijsheid toenemen maar niet onze dwaasheden afnemen.’
En: ‘Ongelovigheid is de wijsheid van een dwaas.’
De bekende theosofe Helena Petrovna Blavatsky zei over wijsheid: ‘Wees nederig, als u tot wijsheid wilt komen en wees nog nederiger als u wijsheid hebt bedwongen.’
S.Ibn Gabirol heeft gezegd:
‘Op weg naar de wijsheid is de eerste stap stilte; de tweede luisteren; de derde onthouden; de vierde oefenen; de vijfde onderwijzen aan anderen.’
Een Perzisch spreekwoord luidt:
‘Een wijs man is een hoed voor 100 kaalhoofdigen en een stok voor 100 blinden.’
De grote Libanese dichter Kahlil Gibran heeft gezegd:
‘Wijsheid is poëzie die zingt in de geest.’
R.Frost zei: ‘Alles wat ik over het leven heb geleerd, kan ik samenvatten in drie woorden: het gaat verder.’
Een Oekraïens spreekwoord luidt:
‘De ochtend is verstandiger dan de avond ervoor.’
John Patrick zei: ‘Pijn doet een mens nadenken, gedachten maken een mens wijs, wijsheid maakt het leven draaglijk.’
Viviane van Avalon heeft gezegd:
‘Te weten dat je onwetend bent is het begin van alle wijsheid.’ Ook is er gezegd dat zelfkennis het begin van alle wijsheid is. Men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven.
De profeet Mohammed heeft gezegd: ‘Het begin van wijsheid is godbewustzijn.’
Hij schenkt wijsheid aan wie Hij wil en aan wie wijsheid is geschonken
is inderdaad overvloedig het goede gegeven. [Koran 2:269].
Hierboven staan de mededelingen, hieronder wordt een belangrijke vraag gesteld
Over de veelweters en betweters die als een interimmanagement deze wereld op economisch en ecologisch gebied lijken te runnen, kan ik maar één geruststellende mededeling bedenken: interim betekent altijd tijdelijk. Zei ik nou: altijd tijdelijk?
Dichter: Vallana, India, geboren tussen 900 en 1100
Gedicht:
naamloos
Locatie: Haagweg 14/Potgieterlaan, Leiden
Sinds: Juni 1997 (nummer 48)
Wijsheid zit meer in de liefde dan in intelligentie
Hoe
onze werken en woorden getuigenis afleggen van ons innerlijk licht en
geestelijke toestand
Werk en woord zijn getuigen van ons innerlijk.
Begrijp uit het waarneembare hoe iemand er van binnen uitziet..
O dokter, daar uw visie en onderzoek niet het innerlijk betreft,
is het beter dat u uw diagnose op urine en ontlasting baseert.
Onze werken en woorden zijn als de urine van de patiënt, voor de
huisarts drager van een symptoom waaraan hij ziekte herkent.
De dokter van de geest, de volkomen spirituele gids
gaat de ziel van de patiënt en de kern van zijn geloof binnen;
hij heeft het niet nodig te observeren hoe mooi of lelijk iemands
gedrag of woorden zijn - terughoudendheid is gepast: hij kijkt in de harten!
Vraag zo’n getuigenis alleen van hen
die als een rivier de weg naar de oceaan weten te vinden.
In de vrijvanangst oceaan
ben ik als zout opgelost.
In mij is geloof noch ongeloof,
geloofszekerheid noch twijfel overgebleven.
Innerlijk is in mij een ster verschenen.
Zo’n ster waarin de zeven hemelen oplossen en verdwijnen..
Deze liefde is een koning,
zonder uiterlijkheden of kroning.
Die waarheid tref je aan in de Koran.
Verborgen in zijn verzen en mysteries.
Elke minnaar
wordt door een pijl van amor gevonden.
Hij huilt en slikt bloed,
maar verbergt zijn wonden.
Kom dicht bij mij, in schoonheid..
Je was een droppel sperma
dat bloed werd, daarna groeide
tot zulk een schoonheid…
O mens, kom dicht bij mij
opdat ik je beter dan dat
kan maken.
De gedichten van Rumi bevatten de essentie van de roos van geestelijke kennis: niet slechts de geur van de bloem, de weelde van de bladeren, de kracht van de stengel en de voeding door de wortels – maar ook de harde noodzakelijkheid van de doorns. Rumi lezen ‘is als het wandelen in een mijnenveld: het blaast hoofd, hart en ziel op’.
Rumi is zo’n groot meester omdat hij weet dat we steeds weer in de goot terecht komen. Hij pakt ons bij onze kraag en zet ons weer op onze voeten en stelt ons in staat steeds weer helemaal opnieuw te beginnen. Hij schenkt ons zowel de spirituele sauna van rozengeur en wierook, maar spreekt tegelijkertijd ons diepe begrip voor onze eigen groei aan. De ontmoeting tussen Sjams en Djalâl ud-Dîn vindt steeds opnieuw plaats. Iemand die de rol van gids op zich neemt op dit pad, heeft altijd de taak ook duidelijk te maken dat spiritualiteit de mystieke vernietiging van ‘het zelf’betekent. Een hoogopgeleid man die voor het eerst kennis maakte met de erminologie en beleving van het soefisme, zei dat hij zich voelde als een blinde die probeert het kleurenspectrum te begrijpen. Hoe kan je nou in godsnaam de ontbinding van het Zijn tot het niet-Zijn.. verwezenlijken? Zijn gids nam hem bij de hand en zei dat je dat kan doen door godgedachtenis (Zikr), oefening in soberheid (Riyazat) en je verleden achter je te laten (Inkisar)’. Daarna beval hij hem één boek aan om hem te helpen bij zijn geestelijk zoeken: Rumi’s Divan-i Kebir. Dat is natuurlijk een veel te grote taak. Daarom gaf hij hem een boeketje Rumi, zoiets als dit boekje, maar dan een Güldeste met alleen teksten uit de Divân.[1]
De poëzie van Rumi wordt soms gelezen als een handboek of wegwijzer voor hen die ‘vernietiging’ van het zelf tot het Zelf willen bereiken – vanaf het ontmoeten van een leraar, via begrip van het lijden, oefening binnen een traditie, begrip van liefde, het ontwikkelen van liefde in de eigen natuur, het verplaatsen van het brandpunt van de persoonlijke ego naar de individualiteit, door volledige kennis van de goddelijke aard van de geest die huist in de tempel van het lichaam/denken, door het besef dat ernaar streven nutteloos is, want baraka (genade, zegening of de gave van het goddelijke) is al wat nodig is. We kunnen God nooit vinden – God zal ons vinden. We kunnen ophouden ons voor Hem te verbergen achter struiken van ego-belangen, kunnen ons naakt uitkleden (zoals een minnaar die op zijn geliefde wacht) en in weelderige stilte met nauwelijks bedwongen ongeduld zitten wachten, tot we op natuurlijke wijze ‘rijp’ zijn en God ons van onze levenstak plukt.
Tenslotte komt de uiteindelijke verwezenlijking voor de zoeker: ‘Het doel van de dichter-minnaar-magiër in het Soefisme is echter niet louter een geheel en al opgaan in de glans van de waarheid die hij leert. Hij wordt erdoor omgevormd en heeft, als gevolg daarvan een maatschappelijke functie – om aan de stroom van leven de richting terug te geven die de mensheid nodig heeft om zichzelf tot vervulling te brengen’[2]
[1] Korte beschrijving van de ontmoeting tussen Hasan Shushud en Nevit O. Ergin
[2] Shah. I. (1964). The Sufis, blz. 364– 365.
Werk en woord zijn getuigen van ons innerlijk.
Begrijp uit het waarneembare hoe iemand er van binnen uitziet..
O dokter, daar uw visie en onderzoek niet het innerlijk betreft,
is het beter dat u uw diagnose op urine en ontlasting baseert.
Onze werken en woorden zijn als de urine van de patiënt, voor de
huisarts drager van een symptoom waaraan hij ziekte herkent.
De dokter van de geest, de volkomen spirituele gids
gaat de ziel van de patiënt en de kern van zijn geloof binnen;
hij heeft het niet nodig te observeren hoe mooi of lelijk iemands
gedrag of woorden zijn - terughoudendheid is gepast: hij kijkt in de harten!
Vraag zo’n getuigenis alleen van hen
die als een rivier de weg naar de oceaan weten te vinden.
In de vrijvanangst oceaan
ben ik als zout opgelost.
In mij is geloof noch ongeloof,
geloofszekerheid noch twijfel overgebleven.
Innerlijk is in mij een ster verschenen.
Zo’n ster waarin de zeven hemelen oplossen en verdwijnen..
Deze liefde is een koning,
zonder uiterlijkheden of kroning.
Die waarheid tref je aan in de Koran.
Verborgen in zijn verzen en mysteries.
Elke minnaar
wordt door een pijl van amor gevonden.
Hij huilt en slikt bloed,
maar verbergt zijn wonden.
Kom dicht bij mij, in schoonheid..
Je was een droppel sperma
dat bloed werd, daarna groeide
tot zulk een schoonheid…
O mens, kom dicht bij mij
opdat ik je beter dan dat
kan maken.
De gedichten van Rumi bevatten de essentie van de roos van geestelijke kennis: niet slechts de geur van de bloem, de weelde van de bladeren, de kracht van de stengel en de voeding door de wortels – maar ook de harde noodzakelijkheid van de doorns. Rumi lezen ‘is als het wandelen in een mijnenveld: het blaast hoofd, hart en ziel op’.
Rumi is zo’n groot meester omdat hij weet dat we steeds weer in de goot terecht komen. Hij pakt ons bij onze kraag en zet ons weer op onze voeten en stelt ons in staat steeds weer helemaal opnieuw te beginnen. Hij schenkt ons zowel de spirituele sauna van rozengeur en wierook, maar spreekt tegelijkertijd ons diepe begrip voor onze eigen groei aan. De ontmoeting tussen Sjams en Djalâl ud-Dîn vindt steeds opnieuw plaats. Iemand die de rol van gids op zich neemt op dit pad, heeft altijd de taak ook duidelijk te maken dat spiritualiteit de mystieke vernietiging van ‘het zelf’betekent. Een hoogopgeleid man die voor het eerst kennis maakte met de erminologie en beleving van het soefisme, zei dat hij zich voelde als een blinde die probeert het kleurenspectrum te begrijpen. Hoe kan je nou in godsnaam de ontbinding van het Zijn tot het niet-Zijn.. verwezenlijken? Zijn gids nam hem bij de hand en zei dat je dat kan doen door godgedachtenis (Zikr), oefening in soberheid (Riyazat) en je verleden achter je te laten (Inkisar)’. Daarna beval hij hem één boek aan om hem te helpen bij zijn geestelijk zoeken: Rumi’s Divan-i Kebir. Dat is natuurlijk een veel te grote taak. Daarom gaf hij hem een boeketje Rumi, zoiets als dit boekje, maar dan een Güldeste met alleen teksten uit de Divân.[1]
De poëzie van Rumi wordt soms gelezen als een handboek of wegwijzer voor hen die ‘vernietiging’ van het zelf tot het Zelf willen bereiken – vanaf het ontmoeten van een leraar, via begrip van het lijden, oefening binnen een traditie, begrip van liefde, het ontwikkelen van liefde in de eigen natuur, het verplaatsen van het brandpunt van de persoonlijke ego naar de individualiteit, door volledige kennis van de goddelijke aard van de geest die huist in de tempel van het lichaam/denken, door het besef dat ernaar streven nutteloos is, want baraka (genade, zegening of de gave van het goddelijke) is al wat nodig is. We kunnen God nooit vinden – God zal ons vinden. We kunnen ophouden ons voor Hem te verbergen achter struiken van ego-belangen, kunnen ons naakt uitkleden (zoals een minnaar die op zijn geliefde wacht) en in weelderige stilte met nauwelijks bedwongen ongeduld zitten wachten, tot we op natuurlijke wijze ‘rijp’ zijn en God ons van onze levenstak plukt.
Tenslotte komt de uiteindelijke verwezenlijking voor de zoeker: ‘Het doel van de dichter-minnaar-magiër in het Soefisme is echter niet louter een geheel en al opgaan in de glans van de waarheid die hij leert. Hij wordt erdoor omgevormd en heeft, als gevolg daarvan een maatschappelijke functie – om aan de stroom van leven de richting terug te geven die de mensheid nodig heeft om zichzelf tot vervulling te brengen’[2]
[1] Korte beschrijving van de ontmoeting tussen Hasan Shushud en Nevit O. Ergin
[2] Shah. I. (1964). The Sufis, blz. 364– 365.
Is optimisme een deel van wijsheid?
Onrust en opwinding
scheppen de slechtste voorwaarden
voor de activiteit van het denken.
Kom daarom eerst tot rust
als je een belangrijk probleem moet oplossen.
Word stil vanbinnen,
en probeer je zo hoog mogelijk te verheffen,
want boven bevindt zich het licht.
Als je voelt dat je erin bent geslaagd
een soort top te bereiken,
stel dan de vraag die je bezighoudt en wacht af.
Het zal misschien slechts een vage gewaarwording zijn,
die moeilijk te interpreteren is,
maar het is al een aanwijzing.
Geef het dus niet op.
Begin zo vaak als nodig opnieuw,
stel de vraag nog eens;
na enige tijd zul je vanbinnen het gevoel krijgen
van een duidelijkheid, een zekerheid,
en op dat moment zul je ongetwijfeld weten hoe je moet handelen.
Je moet echter weten dat de helderheid,
de nauwkeurigheid van de antwoorden die je ontvangt, afhangt van je spirituele ontwikkeling.
Jou is verteld dat werk een vloek is, en arbeid een last.
Maar ik vertel je dat jij meewerkt aan de droom van de aarde over haar voltooiing,
dat jij de taak vervult die voor je klaar lag.
Door te werken heb je het leven oprecht lief.
Door het leven jouw arbeid te schenken word je ingewijd in haar intiemste geheim.
- Kahlil Gibran
Heb de wijsheid lief!
Het heeft absoluut geen zin deskundig te zijn in alle andere dingen,
maar geen weet te hebben van de goedheid.
Het heeft absoluut geen voordeel al het andere in de wereld te bezitten,
maar niet de goedheid, (Plato, Rep. 505 a-b).
De ware filosoof heeft de wijsheid waarlijk lief
en is geboren om te streven naar het zuivere Zijn
zonder gehecht te zijn aan de veelheid van alle uiterlijke dingen
die voor waar worden aangezien.
Zijn liefde blijft steeds intens en constant tot hij eenheid realiseert met het Zijnde zelf, met het deel van zijn Ziel dat er aan verwant is.
Als hij daarmee is verenigd, worden het intellect en de waarheid geboren; hij verdient de ware kennis en leeft een waar leven, voor altijd bevrijd van de pijn van de geboorte.' (Plato Rep. 490 a-b).
Terwijl ik de trap op loop vergeet ik wat ik boven ging doen dus blijf ik maar beneden
"En Allah schept u
daarna doet Hij u sterven
en er zijn sommigen onder u
die een hoge ouderdom bereiken,
waardoor ze na kennis te hebben vergaard,
niets meer weten.." (16:70).