Humor

‘If we can laugh together, we can live together … ‘
Bestaat er een profetische boodschap zonder humor?
Dat lijkt onmogelijk. Amerikaanse joden hebben eenmaal per jaar een relativeringsdag over religie. In plaats van elk jaar zeuren over een officieel suikerfeest, zouden alle gelovigen zo’n dag moeten invoeren, om te beginnen in Nederland.

Hieronder een voorbeeld van de met humeor gezegende teksten die we dan kunnen uitwisselen.

Mozes leidt zijn volk naar de oevers van de Rode Zee. Hij vraagt aan zijn PR-medewerker: ‘Waar zijn de boten?’De man antwoordt: ‘Boten? Ik weet van geen boten!’
‘Wil jij soms dat ik met mijn staf op het water sla en dat de zee zich opent en dat we over de bodem van de zee naar de overkant lopen?’
‘Als u dat doet, krijgt u van mij twee bladzijden in de Tora!’

‘Humor is one way to bring Palestinians and Israelis together and to fight the growing extremism that keeps them apart in both our communities.’

Ray Hanania (als we samen kunnen lachen, kunnen we ook samen leven…) is een geval apart. Hij is een van de weinige christelijke Palestijnse beroepshumoristen in de VS. Hij richt zich echter ook op de onderwerpen die moslims in Amerika bezighouden, omdat Amerikanen hem als moslim zien. Dat is hun vergissing, maar Ray neemt dat gewoon mee in zijn act. Hoewel hij christen is, is hij ‘Muslim by culture’. In Nederland ken ik geen christen uit moslimgebied die hem dat na zou zeggen. Als Palestijnse vredesactivist gebruikt hij humor om Palestijnen, joden, Arabisch en Israëlisch publiek te helpen de menselijkheid te blijven herkennen die achter de tragische krantenkoppen over het Midden Oosten verscholen zit. Zijn vrouw en zoon zijn joods en hij zegt het joodse geloof te begrijpen. Een van zijn bekende uitspraken is dat humor de weg is om Palestijnen en Israëli’s samen te brengen en het extremisme te bestrijden dat in beide gemeenschappen groeit. Hij heeft een Arabisch-joodse humoristische act, waarin hij politieke en sociale satire aanwendt om vrede en begrip te promoten. Rabbi David Steinberg zegt over die act: ‘Het is niet genoeg om een jood en een Arabier op het podium te hebben. We moeten de muren afbreken die Palestijnen en joden verdeeld houden. Daarom is Ray Hanania’s humor zo belangrijk. Hij brengt Palestijnen en joden tot elkaar.’
Hij durft het aan een tour door de Verenigde Staten, The Axis of Evil Comedy Tour te noemen en werkt daarin samen met Ahmed Ahmed, Aron Kader, Maz Jobrani, Sam Tripoli. Dit zijn de beste stand ups wanneer het gaat om Amerikaanse en midden oosterse humor. In Nederland zou hij worden gearresteerd omdat hij terrorisme niet serieus neemt. Hij is de enige journalist met een serieuze column op de website van een Israëlische krant, Yedioth Ahronoth’s www.YnetNews.com. Daarnaast is hij de auteur van een van de eerste ‘humorprofielen’van wat hij noemt growing up Arab in America, voor een blad in Chicago, onder de naam Ya Habibi – O Schat.
Maar – vaste vraag na de cartoonrellen: valt er nog wel wat te lachen met die moslims?
Chagrijnen zijn het, die moslims. Je gaat je afvragen of moslimhumor een oxymoron is. Toch geniet de grote zwijgende meerderheid van moslims bijna met elke ademtocht van de nuancerende en relativerende werking van veel soorten humor. Zijn de humorlozen een andere menssoort? Verlies van humor betekent immers, zoals een priester zei, het verlies van de volheid van je menszijn.Er is een mandaat vanuit de koran om afgodsbeelden af te breken. Abraham deed het en Mohammed ook. Tijdens hun leven had het een functie. De Taliban vernietigden de reusachtige, in de bergen uitgehouwen, Boeddhabeelden niet omdat moslims misschien gevaar liepen die beelden te gaan aanbidden, maar omdat het hun taak is alles van waarde te vernietigen. Roem, rijkdom, macht, arrogantie, noem maar op, worden zowel in de bijbel als in de koran benoemd als afgoden. Humor breekt ze af. We doen onszelf te kort als we valse religie niet ontmaskeren met humor. Om jezelf en je geloof kunnen lachen ontsnapt aan het bevattingsvermogen van de letterknecht.
Eén aan Gods kant is een meerderheid
Hoe leuk waren de grote profeten Abraham, Mozes, Jezus en Mohammed tijdens hun leven? Volgens Theodor Lessing,een jood die door de nazi’s in 1933 is gedood, hebben Mozes en Jezus nooit gelachen. Waaróm hadden ze trouwens moeten lachen, en als ze al hebben gelachen waarom zou dat dan opgetekend zijn? Is hun boodschap zonder humor? Een boodschap zonder humor lijkt mij onmogelijk. In De naam van de roos van Umberto Eco ging het om het verborgen houden van een hand­schrift waarin de gunstige werking van lachen werd beschreven. Monniken die ernaar zochten werden op geheimzinnige wijze om het leven gebracht. In de gelijknamige film wist Sean Connery als middeleeuwse detective, de daders te ontmaskeren. Echter ten koste van een unieke theologische biblio­theek die in vlammen opging. Maar wat is een bibliotheek zonder humor?
Lachen is universeel, maar we hebben allerlei soorten communica­tiestoornissen, dus is de vraag terecht: betekent lachen  in alle culturen hetzelf­de?
Vergis je niet. Humor komt voort uit groot drama. Het is huilen en lachen dat zich een uitweg zoekt bij het verwerken van onze menselijke fouten, zonden, ellende en tekort.  Het is de “loser” die we herkennen, waarin we om onszelf kunnen lachen: de stoethaspel, de antiheld, de treurige clown. Het is de droevige mimespeler Jean-Louis Barrault in Les efants du paradis, het is Charlie Chaplin in Modern Times en The Kid, Giuletta Masina in La Strada, en later Marcel Marceau, die ons een spiegel voorhouden van menselijk onvermogen tot liefhebben, tot goed doen, tot perfectie.
Om humor te kunnen plaatsen ga ik voor de rest van mijn zoektocht shoppen bij Freud, Koestler, Bergson en anderen. Maar de diepe definitie van humor als levensbehoefte, de lachspiegel als levensspiegel, komen we bij hen niet tegen. Volgens mij hangt die spiegel thuis aan de muur van wijze rebbes, lieve bourgondische paters en zeldzame humoristische imams als Nasroeddin, de Tijl Uilenspiegel van de islam.
Nasroeddin wordt vaak afgebeeld ­terwijl hij omgekeerd op zijn ezel zit. Aan zijn leerlingen heeft hij uitgelegd waarom hij dit deed:
“Als ik met mijn gezicht naar voren rijd, zijn jullie achter mij en zien alleen mijn rug. Maar als jullie voor mij zouden lopen, zou ik tegen jullie ruggen aankijken. Daarom denk ik dat dit de beste manier van rijden is, en daar komt nog bij dat het veel beleefder is..
Hij vond het leuk om elke keer wanneer men hem vroeg waarom hij omgekeerd op zijn ezel zat, een andere verklaring te geven. Daarom zei hij de ene keer:
“Dan ben ik er tenmin­ste zeker van dat ik met mijn gezicht in de goede rich­ting zit, want mijn ezel doet altijd het tegen­overge­stelde van wat ik zeg!”
Toen hij eens mee zou reizen met een karavaan, werd hem een paard aangeboden. Het was nou eenmaal zijn gewoonte om anders­om op zijn rijdier te zitten, dus ook zijn paard besteeg hij op deze ongebruikelijke manier. Toen hij de verbaasde gezich­ten van de omstanders zag, dacht hij: “De aanval is de beste verdediging”, en zei: “Wat is dit! Jullie hebben me een links paard gegeven!”
Nasroeddin heeft zijn eigen techniek om in één ademtocht de sukkel te spelen en de waarheid te doen oplichten. Hij laat de ijdelheid zien van mensen die hun eigen stem zo mooi vinden wanneer ze de oproep tot het gebed of de koran reciteren.
Op een dag was Nasroeddin in het Turkse bad, de hammam, en hij reciteerde zo wat voor zich heen. Terwijl hij dat deed begon hij, vanwege de resonantie in zo’n holle ruimte, zijn eigen stem steeds meer te waarderen. Toen hij klaar was met zijn bad, ging hij regel­recht naar de minaret en begon de oproep tot het gebed, de Azaan, te roepen, terwijl het nog lang geen tijd was voor het gebed. De mensen liepen samen en begonnen commentaar te leveren:
“Wat is dat hodja? Je leest de Azaan en het is nog lang geen tijd, en dan nog met de stem van een kraai!”
Hij antwoordde: “Als jullie op deze minaret een hammam voor mij maken, zal je eens zien wat voor stem ik heb!”
In veel van de verhalen worden zowel zijn karakter duidelijk als dat van de mensen met wie hij zijn avonturen beleeft. Toen zijn vrouw overleed, huilde hij bittere tranen, maar toen zijn ezel stierf was hij ontroost­baar. De mensen vroegen naar de reden:
“Is het waar dat u zich het verlies van uw ezel nog meer aantrekt dan dat van uw vrouw?”
Hij antwoordde: “Natuurlijk, want iedereen zei, toen ik mijn dierbare vrouw verloor, dat ze voor mij een nog lieve­re en mooiere vrouw zouden vinden. Maar toen mijn ezel stierf, zei niemand dat hij voor mij een nieuwe en betere ezel zou kopen.”
T-MAX_059
De Chinese Nasroeddin, Chung-li, was evenals Nasruddîn een volge­ling van de gedachte: ‘Mensen willen een grappig verhaal horen om eens goed te kunnen lachen. Maar ik gebruik mijn grappige verhaal om ze te doen ontwaken. Lachen op deze manier biedt ook een weg naar verlossing.’ Deze Chung-li Ch’uan vertelde over eigenschappen als zelfingenomenheid en arrogantie het volgende.
‘Een vader liep eens te wandelen met zijn zoon. Een voorbijganger wees hem op zijn zoon en vroeg hem: “Wie is dat?” De vader antwoordde: “Dit is de aankomend schoonzoon van de kleindochter in de negende graad van de aangetrouwde kleinzoon van het hoofd van de kanselarij, die een van de grote favorieten was van een van de voorvaders van de huidige keizer, om kort te gaan, mijn zoon!” (De verteller voegt er als regieaanwijzing aan  toe: men moet zelf de ‘air’ van iemand die vervuld is van eigen­dunk even aannemen en het antwoord er dan in één adem uitflap­pen).
Op een dag moest Chung-li een monnik naar de rechter brengen die een overtreding had begaan. Omdat het een verantwoordelij­ke taak was, besloot hij de grootste nauwkeurigheid te be­trachten en alles op te schrijven. Hij maakte een lijstje van alles dat aanwezig was: “Bagage, paraplu, schandkraag (houten kraag om de hals van de gevangene), documenten, monnik en ik.”
Toen hij tijdens de reis steeds zijn lijstje raadpleegde, dacht de gevangene dat hij met een vrij simpel persoon te maken had. Toen zijn gevangenbewaarder op een nacht in diepe slaap was, schoor hij diens hoofd kaal, deed hem de houten kraag om en ging er vandoor.
Toen Chung-li de volgende morgen ontwaakte zei hij tegen zichzelf: “Laat eens zien of alles er nog is. De bagage, de paraplu … Ja! die zijn er nog. Hij voelde om zijn nek, ja de houten kraag is er ook. Maar de documenten … , ha! daar zijn ze. Plotseling bekroop hem een angstig vermoeden: “Maar waar is de monnik naar toe?”
Hij krabde op zijn hoofd en voelde de kale bol:
“God zij dank, de monnik is er nog!”
————————————————————————————————————————————————-
Alle grappen over harems gaan ten koste van de man, want de hele harem is allang lesbisch!
Stand up Comedian Tissa Hami
The Comedy Studio is niet bepaald een plaats waar je een keurige moslimvrouw zou verwachten. Veel grappen van stand-up-comedians gaan over hun worstelingen met seks, afdalend tot de vreemdste details van hun disfunctionele seksleven.Tissa Hami grinnikt onder haar hoofddoek. De alles overwoekerende negatieve beeldvorming van moslims in de media en de nadruk op de schaapachtige moslimvrouw kroop onder haar huid. De voortdurende herhaling van het ééndimensionale imago dat moslimvrouwen hadden voor Amerikanen, als doofstomme onderdrukte wezens overgeleverd aan de genade van hun echtgenoten, werd te vermoeiend en irritant. Ondertussen slaagde ze er maar niet in een baan te vinden en haar vrienden drongen er steeds sterker op aan dat ze ging doen waarvoor ze in de wieg leek gelegd: stand-up!
Ze keek om zich heen en merkte dat er aandacht was voor wat moslimse stand-ups te zeggen hadden, maar het waren alleen maar mannen. Hami sloot zich aan bij een lange traditie van etnische artiesten, wier materiaal wordt geboren uit een kritische kijk op stereotypering en discriminatie.
Dus stapte ze op een bepaald moment in volledige hidjaab – van top tot teen bedekt – het podium op en begon grappen te maken over ‘alles wat er gebeurt’. Terwijl ze daar stond, in haar lange zwarte jas en strak gebonden hoofddoek, staarde ze het publiek aan en zei: ‘Ik moet echt een lange jas aan, want ik voel me een beetje sletterig vandaag!’ Ze maakte zich vrolijk over de beveiliging van vlieghavens en over harems. ‘Soms haat ik het om moslim te zijn, vooral op vliegvelden,’ zegt ze, ‘want ik was altijd van plan het volledige lichaamsonderzoek uit te stellen tot mijn huwelijksnacht. Als je dan ook nog gaat vliegen wordt het helemaal erg, vanwege alle ongewenste intimiteiten elke keer als je naar het toilet gaat.’ Volgens haar zijn de grappen over harems ten koste van de man, want de hele harem is allang lesbisch! In ‘up tempo’ gaat ze op sardonische wijze door over valse paspoorten en over het alledaagse racisme dat zij onderging als Iraans kind in een blanke buitenwijk. ‘Het enige wat ik deed is de lunch overslaan in de Ramadan.’ Ze is een van de eersten die ook haar vrouwelijke collega-moslim-stand-ups op de korrel neemt. ‘Ik had geen zin in de competitie dus die heb ik gestenigd.’ Haar grootvader was een theoloog en volgens haar moeder zou hij zich omdraaien in zijn graf als hij hoorde dat zijn kleindochter grappen maakte over lesbische harems.
Tissa Hami is geen doorsnee stand-up-comedian. Zij verliet Iran als meisje van vijf. On stage vertelt zij haar eigen botsing der beschavingen als haar levensgeschiedenis in de Verenigde Staten. ‘Het was griezelig om als een Iraanse op te groeien in dit land,’ zegt ze, ‘maar wanneer andere kinderen me plaagden dreigde ik dat ik ze zou gijzelen.’
Geboren in het noorden van Iran, in de provincie Mazandaran, groeide Hami op in een vrijwel volledig witte buitenwijk van Boston, als de dochter van een computerdeskundige en een tandarts. Zij kreeg vaak te horen dat ze in de wieg was gelegd voor stand-up-comedian, maar ze koos aanvankelijk voor een ‘normale carrière’. Zij specialiseerde zich in internationale betrekkingen. Tot 11 september 2001.
Sommige aspecten van de huidige ‘stand up cabaretcultuur’ mogen ons overrompelen, het Parijse cabaret, dat in het begin van de 20e eeuw furore maakt, toont verwante verschijnselen: een voorkeur voor de woordspeling, een zeggen waar het op staat, zowel in de gewaagde liedjes van Yvette Guilbert als in de sociale satires van Aristide Bruant, en een merkwaardige liefde voor de waarheid ook bij het bourgeois publiek dat zich verdrong om applaudisserend door de komediant gehoond te worden. En ook hier ontbrak de nonsens niet: Jean-Claude Carrière heeft in zijn boekje over de humor van de belle époque een afzonderlijk hoofdstuk over ‘le goût de l’absurde’. Trouwens ook een over ‘l’humour noir’.

 

Yvette Guilbert, de vrouw die furore maakte als gewaagd geestige cabaretière, maar vooral ook door dwars tegen de gangbare taxatie van vrouwelijk schoon in haar eigen uit de toon vallende type (mager, hoekig, knalrood haar) te accentueren. Deze foto geeft een wat normaler beeld van haar dan de vele karikaturen die een aantal contemporaine schilders en tekenaars van haar maakten. [Collection Viollet].
Voor mij heeft Ronald Goedemondt een jurk aangetrokken. Dit moet zijn nieuwste act zijn.

Comments are closed.